ad-de-jong-foto-martijn-scheeres studio omstand
Ad de Jong (foto Martijn Scheeres)

‘Vrijheid kan ook tot paniek leiden: wat moet je doen als alles kan?’

Kunstenaar Ad de Jong over zijn inspiratiebronnen

Wie of wat zette je leven op het juiste spoor?
In een serie interviews vraagt de Volkskrant mensen naar hun inspiratiebron. Kunstenaar Ad de Jong komt net uit een bunker en kijkt anders naar de natuur. ‘Ik merkte: ik kan dit ijzer alle kanten op buigen, er zijn oneindige mogelijkheden.’

Door: Sacha Bronwasser (De Volkskrant – 12 juli 2017)

Beeldend kunstenaar Ad de Jong (1953, Breda) studeerde eind jaren zeventig aan de Gerrit Rietveld Academie en richtte in 1979 mede het eerste kunstenaarsinitiatief van Nederland op: W139 aan de Amsterdamse Warmoesstraat, nog steeds actief. In de jaren negentig kreeg hij erkenning als beeldhouwer, onder meer door een solo in het SculptureCenter in New York. Zijn grote, kleurige, vaak zwevende sculpturen van epoxy en fiberglas bevinden zich in collecties als Boijmans van Beuningen en AkzoNobel. Een nieuw groot werk hangt in het Paleis van Justitie in Amsterdam. De Jong treedt vaak op als initiator van grote tentoonstellingen op bijzondere locaties, zoals Beeld Hal Werk (2010, fabriekshal Amsterdam Noord) en All Is Giving (2013, oud postkantoor Groningen). Zijn nieuwe werk Freedomislookingatyou is t/m 27 augustus te zien in Museum 5VEP, Arnhem.

‘Als jij straks weg bent, ga ik een beetje acclimatiseren en terugkijken. Ik heb net twee maanden gewoond en gewerkt in een bunker bij Arnhem, ik had mijn hele atelier daarnaartoe verhuisd.

‘Ik werkte in een enorme ruimte zonder elektriciteit en met één deur waardoor het daglicht viel. Er waren veel bomen en vogels, in de verte hoorde je de snelweg. In het begin was het koud, het vroor ‘s nachts en daarna werd het erg warm en ging het veel regenen. Ik vond dat allemaal fantastisch.

‘Het moeilijkste in een nieuwe situatie is om niet meteen aan de slag te gaan zoals je gewend bent. Als je jonger bent doe je dat, maar ik wist al: dat gaat niet werken. Bij mij in die bunker moest ik zelf eerst veranderen.’


Microscopische blik

‘Eerst ging ik met het licht leven. Om 8 uur ‘s avonds ging ik op mijn bed liggen en viel ik heel langzaam in slaap – nee, mijn lichaam ging gewoon slapen. En om 5 uur werd het weer langzaam wakker en dan stond ik om 6 uur op. In de vroege uren was ik scherp en alert en had ik goede werkenergie. Dus ik stopte met koffiedrinken en ontbijten om dat niet te verstoren. Pas om 12 uur ging ik eten.

‘Langzaam drongen de dingen tot me door. Wat zijn de structuren hier en wat zijn mijn structuren? Wat zijn de kleuren en de vormen van de natuur en hoe doe ik dat? En dan die cycli van het licht, van nat worden en weer opdrogen, van de kleuren die daardoor veranderen… Ik kreeg gaandeweg ook een microscopischer blik, doordat alles om me heen steeds bewoog – het gebladerte, de mieren over het tafelblad, een muis die je hoort lopen. De zwaluwen die naar binnen kwamen op zoek naar een goede plek voor een nest – mij negeerden ze totaal. Een leuke observatie was dat, als ik goed aan het werk was, ik de vogels gewaar bleef. Als ik de vogels hoorde, zat ik in de juiste werk-flow.

‘De natuur is een andere maker. Je ziet structuren en kleuren die niet te evenaren zijn. Dat heeft Piet Mondriaan allemaal al voor ons uitgezocht. Die heeft nachtenlang naar de bomen gekeken en gedacht: als mens moeten wij onze eigen ‘natuur’ maken, niet námaken. Dat is het unieke van de mens, dat ik mijn eigen nieuwe wereld kan maken. Iets nieuws. Dat is altijd mijn streven: voorbij het bekende kijken. Toen ik begon was het de tijd van Joseph Beuys, alles was bruin en de beeldhouwkunst was heel minimalistisch en streng. Dus ik dacht: dan is het nu tijd voor kleur, en hoe krijg ik mijn energie in mijn beelden? Je moet niet blijven draaien in het bekende, maar daar voorbij komen, accelereren.’

 

Punk

‘Ik heb nagedacht over mijn bronnen: vrijheid en bewustzijn. Die begrippen zijn allebei belangrijk en ze staan met elkaar in verband. Dat is vanuit het perspectief van die bunker goed te begrijpen. Als kunstenaar heb je enorme vrijheid, je kunt maken wat je wilt, maar het gevaar is dat je de hele tijd bezig bent met dingen die je al gedaan hebt. Als het bewustzijn van die vrijheid er niet is, gooi je ‘r weer weg.

‘Op de Gerrit Rietveld Academie studeerde ik beeldhouwkunst. Klassiek, portretten en figuren kleien, vreselijk vond ik het. Maar op een gegeven moment ontdekte ik dat de ruimte om je heen vrij is. Voel maar om je heen: leeg, open. Er was een moment, ik herinner het me nog precies, dat ik een draadmodel aan het maken was en voelde: ik kan het ijzer alle kanten op buigen. Er zijn oneindige mogelijkheden. Het was of er een klep openging. Vanaf dat moment voelde ik die vrijheid ook in muziek maken, performances doen, in alles.

‘Het was de tijd van punk, we hadden onze eigen tentoonstellingsruimte gekraakt. Het is een groot verschil of je je ontwikkelt binnen een galerie- of museumcircuit, waarin iedereen je wil sturen, of vanuit een ruimte die je helemaal zelf kunt invullen. Ik was iets ouder dan de mensen om me heen en ik had het grote voordeel dat ik niet meteen ergens uitzonderlijk goed in was, niet in beeldhouwen en ook niet in organiseren. Als je heel goed bent, pushen de mensen je op een podium en zit je daar vast. Ik leerde juist ook van mislukkingen én ik werkte hard.

 

Eigen vormentaal

‘Mijn punktijd was absoluut niet romantisch, hoor. Zelfs de kleding van het Waterlooplein was te duur en ik werkte tien jaar lang met materiaal uit containers: gestolen ijzer, houten pallets of papier dat ik per kilo kocht bij de papierfabriek. De vrijheid was heel armoedig, de ruimten waren altijd koud en het lekte overal. Maar als je dat aankunt, kun je altijd en overal werken.

‘Vrijheid kan ook tot paniek leiden: wat moet je doen als alles kan? Ik moest een eigen techniek en vormentaal ontwikkelen. Dit werd mijn tactiek en dat is het nog steeds: als ik aan een nieuw beeld werk en ik een bepaalde werkwijze niet fijn vind, doe ik dat niet meer. Zodoende beperk ik mezelf en ontdek ik hoe ik het wel wil. Ik merkte bijvoorbeeld dat ik van karton makkelijk vrije vormen kon snijden en volumes kon maken en dat is nog steeds de basis voor mijn epoxy sculpturen. Ook zag ik dat ik met de juiste pigmenten oneindig veel kleuren kon maken. In plaats van industriële kleuren te gebruiken, meng ik die nu zelf. Ik zorg er ook voor dat hoe groot mijn werken soms ook worden, ik ze zelf kan optillen, vervoeren en installeren.’

‘Het waardevolste wat ik kan doen als kunstenaar is die vrijheid en dat bewustzijn bij anderen ontsluiten. Dat doe ik door mooie beelden te maken. Hoe minder herkenbaar die zijn, hoe meer mensen gaan fantaseren, aanraken, ervaren – alle zintuigen spelen mee bij de ervaring van een kunstwerk. Ik zie graag hoe mensen zich gedragen bij mijn werk. Heb ik het beeld goed opgehangen, dan gaan ze er bijvoorbeeld meteen aan voelen of beter nog een klap op geven. Het kijken wordt dan ook een fysieke ervaring.

‘Terwijl tegenwoordig meestal het omgekeerde het geval is: een kunstwerk hangt in een galerie aan de muur, er komt een foto van, die komt op een website of op Instagram – het wordt steeds verder gereduceerd tot een plaatje, zoals alles tot een klik wordt versimpeld. Maar dat is geen ervaring. Dat houdt me al langer bezig en in die bunker heb ik het weer gemerkt: hoe belangrijk echte ervaringen zijn. Zodat mensen voelen dat er geen afstand is tussen mijn beelden en henzelf, dat ze deel uitmaken van hetzelfde geheel. En dat ze zich daardoor bewust zijn van hun eigen vrijheid.’

Bron: Piet Mondriaan
Piet Mondriaan (1872-1944) staat dit jaar onverminderd in de belangstelling door het 100-jarig bestaan van De Stijl. Voor Ad de Jong is Mondriaan niet zozeer zijn bron (dat zijn de begrippen vrijheid en bewustzijn, zie tekst) als wel zijn ‘lichtend voorbeeld’. De Jong: ‘Mondriaan is gestorven terwijl hij aan het schilderen was. Tot op de laatste seconde wilde en kon hij nieuw werk maken. Zelf kom ik uit de jaren tachtig, een wilde tijd, waarin mensen snel opbrandden. Bij Mondriaan zag ik: dát wil ik. En dus moet ik zorgen dat ik me ontwikkel, dat ik gezond en in balans ben en niet afgeleefd raak.’